|
Arthroscopie van de knie
U vriendelijk aangeboden door de dienst orthopedie-traumatologie
Inhoud
1. Anatomie 2. Verdoving 3. Operatie 4. Na de operatie 5. Complicaties 6. Nabehandeling 7. Kinesitherapie
1. Anatomie Het kniegewricht bestaat uit drie delen: het scheenbeen, het dijbeen en de knieschijf. De gewrichtsdragende oppervlakten zijn bedekt met een laag kraakbeen zodat de knie soepel kan bewegen. Tussen dij en scheenbeen liggen de menisci. Dit zijn twee C-vormige schijven die zorgen voor het mooi aansluiten van het scheen en dijbeen bij beweging. Daarnaast zorgen zij ook voor het opvangen van schokken en hebben ze ook een smerende functie. Bij een arthroscopie kan een diagnose worden gesteld en dadelijk worden behandeld. Meniscusscheuren, kraakbeenletsels, kruisbandscheuren en slijmvliesontstekingen zijn de meest voorkomende indicaties. Losse stukjes kraakbeen en bot kunnen eenvoudig worden verwijderd. Een binnen en buitenmeniscusscheur leent zich bij uitstek voor een arthroscopische behandeling. Via de kijkoperatie kan enkel het gescheurde gedeelte worden verwijderd of gehecht. Dit is beter voor het gewricht omdat verwijderen van de gehele meniscus tot slijtage kan leiden. 2. Verdoving De operatie kan onder algemene of onder lokale verdoving (doormiddel van een ruggeprik) gebeuren. Bij lokale verdoving is het soms mogelijk om op een monitor mee te kijken. 3. Operatie Bij een artroscopie wordt via een kleine snee met een buis (artroscoop) in het gewricht gekeken. De artroscoop bevat lichtgeleidingsvezels en lenzen en wordt aangesloten op een camera, die verbonden is met een TV-monitor. Zo ziet en controleert de operateur zijn handelingen op een TV-scherm. Tijdens de operatie worden twee of drie kleine sneetjes vooraan op de knie gemaakt. Langs één gaatje wordt een kijkertje met koude lichtbron ingebracht en spoelvloeistof ingespoten zodat de chirurg een helder beeld van het gewricht heeft. Langs het tweede gaatje wordt het werkinstrumentje ingebracht om de behandeling uit te voeren. In totaal duurt een operatie 30min. De operatiewondjes worden gehecht of dichtgeplakt met steristrips. Om de kans op nabloeden te verkleinen wordt een groot drukverband aangebracht. 4. Na de operatie
Na de operatie blijft U nog enige tijd op de ontwaakkamer ter observatie en voor het toedienen van pijnstillers. Nadien gaat U naar de afdeling. Bij lokale verdoving is het noodzakelijk dat het gevoel in de benen volledig is teruggekeerd en dat U heeft geplast. Daarna zal de verpleegkundige of de kinesist U helpen uit het bed te komen. Best gebruikt U krukken. Enkele uren na de ingreep mag u drinken, indien dit geen problemen geeft wordt het infuus verwijderd en mag u eten. Het drukverband moet tot de volgende dag ter plaatse blijven. Uw chirurg komt U na de ingreep op de hoogte brengen van het verloop en de verdere planning. Na een eenvoudige arthroscopische ingreep kan U dezelfde dag al naar huis. In sommige gevallen zal uw arts U adviseren een nacht te blijven op onze hospitalisatiedienst. Dit bijvoorbeeld om de pijn beter onder controle te krijgen of om doorgedreven kinesitherapie te starten.
5. Complicaties
Bij elke operatie kunnen complicaties optreden. Bij een arthroscopie komt dit gelukkig zelden voor. Complicaties kunnen zijn: langdurige en forse zwelling, bloeding in de knie en zelden gewrichtsontsteking. Soms is er een verhoogde kans thrombose. Meestal gaat het om een oppervlakkige flebitis. Een diepe thrombose is ook mogelijk en dit wordt dan behandeld met bloedverdunnende medicatie.
6. Nabehandeling
Een poliklinische controle is voorzien na 14 dagen. Afhankelijk van uw chirurg kan een vroegere controle afgesproken worden of dienen de hechtingen verwijderd door de huisarts na tien dagen. Best gebruikt U de eerste dagen regelmatig ijs op de knie om zwelling te voorkomen. In sommige gevallen zal uw chirurg een ontstekingsremmer of een bloedverdunnend spuitje (fraxiparine) voorschrijven. Pijn is meestal een teken van overactiviteit. Wanneer U pijn heeft moet U gaan zitten of liggen met het been in hoogstand. Het gevoel van vocht in het gewricht en het soms horen van geluiden mag U niet verontrusten. Dit is vocht of lucht welke na de ingreep is achtergebleven. Dit verdwijnt vanzelf na enkele dagen.
7. Kinesitherapie
Op de verpleegdienst zal onze kinesist U bezoeken. Hij/zij zal met U wandelen op de gang en uitleggen hoe U best krukken gebruikt. U krijgt bij ontslag een uitgebreid schema mee met oefeningen die U thuis kan doen. In eerste instantie zijn deze gericht op mobilisatie en het trainen van de bovenbeenspier. Deze oefeningen kan U thuis verder zetten. Indien nodig zal uw chirurg meer specifieke oefeningen voorschrijven.
|